Hé, het is oké (om hulp te vragen)

Ik was kwaad. Boos op de wereld, zoals waarschijnlijk alleen pubers boos kunnen zijn. Ik was een pessimist, zag het leven door een grijze, zwarte, bril. En toen moest ik een vragentest invullen voor de GGD. Een routine lijstje waarschijnlijk, maar het zorgde er wel voor dat ik in de molen kwam. 

Dat ik van sociale vaardigheidstraining en de sticker ‘faalangst’ naar het Altrecht (toen nog RIAGG) gestuurd werd. Volgens de mensen bij de training had ik iets ‘heel ergs.’ Althans, dat zeiden ze tegen mijn moeder. Ik weet niet zo goed of het heel erg was, is. 

Ik kwam bij een bijzonder nare man terecht die psychiater bleek te zijn en die moest beslissen wat ik had aan de hand van de DSM. Ik weet niet welk nummer het achttien jaar geleden was, maar in elk geval niet de DSM-IV die vandaag de dag gebruikt wordt. 

Ik kreeg mijn sticker, de toegang tot een hokje.

Ik kreeg de diagnose PDD-NOS, een aan autisme verwante stoornis, oftewel een ASS in het Nederlands en een ASD in het Engels. Hierom weet ik ook dat het niet de vijfde DSM was, daar wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen de verschillende vormen van een ASS. Ik heb daar zo mijn gemengde gevoelens over, maar goed, daar gaat dit niet over verder. 

Ik kreeg mijn sticker, de toegang tot een hokje. Niet dat ik echt wist wat autisme inhield. Niet meer dan ‘moeilijk contact maken.’ Ik zou pas veel, veel, veel later leren dat autisme meer is dan ‘slecht met mensen om kunnen gaan’ en dat je op een bepaald moment ergens vastloopt. Dat ik deels om mijn ASS 3 van mijn 4 studies niet af kon maken in plaats van dat ik een faalhaas en dom was. Want dat dacht ik. Dat ik het gewoon niet kon om gebrek aan intelligentie.

Net als dat ik nooit goed snapte waarom ik niet én naar school kon gaan én kon werken én met vrienden af kon spreken (in theorie dan, want ik had niet echt vrienden) op een dag. Ik dacht dat ik lui was.

Ik viel – en val – ook over alles. Ik ben weleens over kiezels uitgegleden. Ik ben een keer uit de bus gevallen op Utrecht Centraal in de spits. Toen genant, nu pijnlijk en grappig. Ik schijn geen tot minder emotie op mijn gezicht te hebben dan een neurotypisch (‘normaal’) mens, maar dit heb ik van horen zeggen. 

Dit allemaal leerde ik niet in therapie of van psychologen en psychiaters. Nee, dit leerde ik van mede-autisten, van boeken en van vrienden. Niet van mensen die het me hadden moeten leren, die me handvatten hadden moeten geven. Daar kreeg ik geen hulp, werd nauwelijks uitgelegd wat het was. Veel meer dan ‘je hebt autisme en moeite met contact met mensen’ kreeg ik niet. 

‘Was het de tijdgeest van toen of hebben ze gewoon gefaald?’

Was het de tijdgeest van toen of hebben ze gewoon gefaald, omdat ik er zelf niet om vroeg? Vast een combinatie van beiden. En ik was toen nog zo jong dat ik het vooral gedoe vond, dus ik vroeg er zelf ook niet om. Ik ben nog steeds niet heel bijdehand, maar een stuk meer dan toen. 

Ik kreeg mijn diagnose achttien jaar geleden, maar soms zou ik willen dat ik mijn diagnose één of twee jaar geleden gekregen had. Niet dat ik nou zo lang rond had willen lopen met het besef dat er ‘iets anders’ is aan mij, maar omdat men nu veel verder is in autisme. Wat het is, wat voor therapie je misschien nodig hebt, dat vrouwen het ook kunnen hebben. Dat een autist niet meteen iemand is die niet kan communiceren of niet empathisch is. Ik leer nog steeds, weet nog steeds veel niet. Vaak voelt het ook of ik het pas net weet in plaats van al zo lang. 

En ineens was ik er klaar mee. Ik speelde al een jaar met het idee om eens op zoek te gaan naar een psycholoog, om te praten over dingen waar ik mee worstel. Praktische zaken, maar ook wanneer je moet zeggen dat je iets vervelend vindt en dan voor de bom barst.

Die bom barstte in een vriendschap en dat was de trigger waardoor ik vanmorgen de huisarts heb opgebeld en een doorverwijzing heb gevraagd voor een autisme kennis centrum. Het voelt heel raar om hulp te vragen want ‘ik kan functioneren’ en ‘er zijn mensen die het harder nodig hebben.’ Maar tegelijkertijd worstel ik er vrijwel dagelijks mee, bij kleine en grote dingen. In mijn werk, online, in de supermarkt, overal. 

Tegelijkertijd voelt het bevrijdend en besef ik me dat ik de moeilijkste stap heb genomen: erkennen dat ook ik hulp nodig heb, dat het me al achttien jaar gelukt is, maar dat ik nu even ondersteuning nodig heb. 

En dat is oké. Hulp vragen is niet erg.

Komende tijd zal ik het hier wel vaker over gaan hebben. Maar eerst de afspraak met de huisarts om de verwijzing te krijgen aanstaande vrijdag. En dan zien we het wel, want stapje voor stapje.